zondag 22 juli 2012

22 juli van Kaapstad naar Stellenbosch

Het blijft de hele nacht bij vlagen waaien en regenen. Soms gaat het zo hard, dat het lijkt alsof het dak eraf gaat.

Om half 8 staan we op. We ontbijten in de eetkamer en slaan de eieren maar weer over. Bij dit ontbijt is dat ook helemaal niet nodig, er ligt veel en het is allemaal mooi uitgestald. We kiezen voor het heerlijke verse fruit met yoghurt, en eten ook eindelijk weer eens volkorenbrood.
Om kwart over 9 worden we opgehaald voor een townshiptour door Kaapstad. Onze gids, Johnny, is een zogenaamde kleurling, niet zwart en niet wit. Hij spreekt Afrikaans, dus we kunnen hem goed verstaan. Johnny legt het ontstaan van Kaapstad uit vanaf het moment dat Van Riebeek er aankwam.
We rijden over de N2 richting vliegveld, opnieuw langs de vele krottenwijken waar we eergisteren zo van schrokken. Johnny vertelt over het ontstaan van de gesegregeerde wijken, wat rond 1900 begon. Tot 1900 was Zuid-Afrika een multiraciale samenleving waar alle rassen en kleuren naast en met elkaar leefden. Vanaf 1900 veranderde dit, omdat de blanken niet meer met zwarten in een wijk wilden wonen. Elke bevolkingsgroep moest daarom zijn eigen woongebied krijgen, gebieden die werden gescheiden door wegen of spoorlijnen. Zo'n community had slechts één toegangsweg, zodat bevolkingsgroepen zich niet met elkaar konden mengen. Bedenker van dit perfecte scheidingssysteem was de Zwitser Le Corbusier. “Als je een volledige scheiding van bevolkingsgroepen wilt bewerkstelligen, ga dan te werk als een chirurg bij een operatie.”

De krottenwijken die wij langs de snelweg zien, zijn vaak de buitenste ringen van bestaande townships. Ze ontstaan doordat mensen van het platteland of uit andere Afrikaanse landen naar de stad trekken om werk te zoeken. De krotten zijn gemaakt van planken, stukken plastic, karton of golfplaten en alles wat je verder kunt gebruiken. Ze zijn niet aangesloten op water of riolering. Wc’s zijn emmers met een paar golfplaten erom, water wordt verkregen uit een gezamenlijke kraan voor een hele wijk aan krotten. Elektriciteitspalen staan er wel, hier kunnen mensen via vooruitbetaling van tappen. Koken gebeurt op open vuur; niet voor niets dat deze wijken regelmatig in brand vliegen.


Binnen deze ring van krotten bevinden zich de ‘gewone’ huizen die wel zijn aangesloten op water en riolering. Gewoon is voor ons nog steeds armoedig, maar de huizen zijn in elk geval van steen, hebben ramen en een deur en vaak ook een plaatsje om te zitten.
Binnen de townships zijn scholen, kerken, veel eigen bedrijfjes, maar ook moderne winkelcentra en benzinestations. Die winkelcentra zijn nieuw; het is voor het eerst dat wij een modern winkelcentrum in een township zien. In Phalaborwa wilden de winkelbedrijven nog niet investeren in townships.
Het is zondag en het is met name in de krottenwijken een drukte van jewelste op straat. De straathandel gaat gewoon door, dus ook hier fruit- en groenteverkoop, gebraden kippen, kleding en op elke hoek van de straat een kapper (drie golfplaten en een tondeuze) en een autowasserij (drie golfplaten en een emmer). Bijzonder is de straat waar bouwmaterialen worden verkocht: gebruikte golfplaten, planken en deuren om zelf je krot te bouwen.


Wasgoed hangt overal: tussen de woningen, op de daken en op de gaashekken langs de spoorlijn. Straten zijn niet meer dan (nu modderige) paadjes van zo'n 50 cm breed, waar kinderen tussendoor rennen of mensen alleen maar staan te staan. Tussen de wijken zijn wel geasfalteerde wegen aangelegd.
We gaan naar een gospelkerkdienst in een sjieker gedeelte van de township. Het is een kerk met een geschiedenis, omdat hier in de tijd van de apartheidsrellen mensen werden opgevangen. Er staan veel auto’s bij de kerk, dus deze kerkgangers hebben het redelijk goed.


Het is een katholieke dienst, met alle toeters en bellen die daarbij horen en zoals wij dat ook in Nederlandse kerken zien met wierook, misdienaren, ouweltjes enz. Het koor is vandaag aangevuld met een gastkoor en bestaat in totaal uit zo’n 80 mensen. Hun gezang met ondersteunende klavecimbelmuziek klinkt prachtig in de hoge kerk. Zang wordt afgewisseld met een preek van de pastoor maar ook mededelingen vanuit de community. Wij worden zelfs nog speciaal genoemd als visitors from Holland. Mooi is dat op een teken van de pastoor iedereen die bij elkaar in de buurt zit elkaar een hand gaat geven om peace and hapiness te wensen!
De dienst duurt met alle communitymededelingen erbij toch zeker anderhalf uur.

Hierna bezoeken we een weeshuis. Dit is een project dat is opgezet door ‘mama Rosie’, die ooit een baby op het strand vond en deze bij geen enkele instantie kwijt kon. Ze bedacht toen dat ze dan zelf maar iets moest doen voor kinderen die te vondeling worden gelegd, of die niet thuis kunnen wonen om welke reden dan ook. Van hieruit is de mama Rosie Foundation ontstaan, nu gesponsord door buitenlandse instellingen waaronder ook Nederlandse. Het weeshuis bestaat uit een aantal huizen die naast elkaar staan op een ommuurd (plus prikkeldraad) terrein. Er is een huis voor kinderen tot 3 jaar, een huis voor jongens van 4-17 jaar en een voor meisjes van die leeftijd. Verder is er een huis waar kinderen die uit eenzelfde gezin komen, bij elkaar kunnen wonen, het 'sibbling house'. De huizen worden geleid door zogenaamde mama’s, betaalde krachten maar vooral heel veel vrijwilligers, die zowel ’s nachts als overdag als begeleider op een groep werken.
We beginnen bij de ‘baba’s’,  het huis voor kinderen tot 3 jaar. Vroeger had dit huis een luik, waar moeders hun kinderen konden afgeven zonder zelf gezien te worden. Dit luik is op last van de overheid gesloten, omdat het moeders zou stimuleren hun kind als vondeling weg te geven. De kinderen zijn gewend dat er regelmatig bezoekers komen en vliegen direct op ons af. We worden naar beneden getrokken en alle knopjes van het fototoestel worden geprobeerd. Er wordt getrokken aan het aapje dat aan mijn tas hangt en voor ik het weet zit een van de hummels op schoot die er ook niet meer af wil! Hij wil opgetild worden, wijst aan welke lichtknopjes hij aan en uit wil doen en klampt zich zo vast dat ik hem niet op de grond kan zetten. Als ik toch even bij een ander kind ga zitten, begint hij hartverscheurend te snikken met zijn armen om mijn benen. Gelukkig is het verdriet weg als er een bordje eten komt. De begeleiders vertellen dat deze kinderen zo snakken naar aandacht en daarom elke bezoeker voor zichzelf willen hebben.


In de groep zitten drie kinderen van moeders die aan alcohol verslaafde waren tijdens de zwangerschap. De kinderen zien er opvallend uit, met afhangende ogen en een vreemde huid. Volgens de gids zullen deze kinderen altijd op deze manier herkenbaar blijven.

De kinderen uit de andere huizen spelen buiten, op het kleine binnenplaatsje tussen de huizen. Sommigen spelen een spelletje met de stenen van de grond, een ander groepje doet een soort stand-in-de-bal. Grotere kinderen hangen, vlechten elkaars haar of zitten wat te kletsen. Contact met de buitenwereld is er vandaag niet, want het is zondag en de school is dicht. Zo nu en dan komt er een hoofd van de andere kant door het hekje in de muur en is er zo even contact met de buitenwereld.

We maken kennis met Llungo, een jongen van 17 die eruit ziet alsof hij 12 is. Hij vertelt waarom hij in dit tehuis zit. Moeder dood, vader weggelopen, geprobeerd om bij een oom te gaan wonen maar die sloeg hem voortdurend in elkaar. Terwijl hij dit vertelt, barst hij in tranen uit. Wat kun je dan nog meer zeggen dan dat wat de gids zegt: ‘Make the best of it.’ Llungo moet ook hier binnenkort weg omdat hij 17 is. Hij zal een van de eerste bewoners van het nieuwste huis van mama Rosie zijn, voor jongeren van 18-21, die daar moeten leren op eigen benen te staan.  
Wat de gids laat zien als een project van hoop, is voor ons opnieuw bijzonder confronterend. Wat een leven hebben deze kinderen, en wat duurt het nog lang voor ze daar uit zullen zijn. Of hebben ze het misschien wel beter dan die kinderen in die krotten aan de buitenranden van de townships, die soms niet eens te eten hebben? Voor ons een niet voor te stellen ellende, volgens Zuid-Afrikanen gaat het juist allemaal steeds beter, ook al is het nog een lange weg.

De gids brengt ons terug naar Floreal House. We drinken een kop koffie bij het Italiaanse café aan de overkant voor we onze koffers in de auto zetten. Zoveel indrukken, dat moet even zakken.

Stellenbosch is het centrum van de wijnindustrie en ligt vlak bij Kaapstad, dus we kunnen rustig aan doen. Omdat het weer nog steeds niet goed is, besluiten we de Pensinsula tocht vandaag niet nog een keer te proberen. We rijden dezelfde weg als vanochtend met de gids en rijden zelf nog een keer door de townships. Van daaruit gaan we door naar Stellenbosch, waar we rond 3 uur aankomen. We krijgen de honeymoonsuite van guesthouse/wijnmaker Knorhoek.
Een mooi ingerichte kamer in romantische brocantestijl. Bad op pootjes, kaarsjes, kroonluchter aan het plafond en een terrasje voor de openslaande tuindeuren. Helaas is het veel te koud om hiervan gebruik te kunnen maken. Eten kan hier niet (restaurant is gesloten wegens te weinig bezoekers), maar er is wel een pan soep met stokbroden voor de gasten in de eetkamer gezet. Alle personeel gaat om 5 uur weg, dus wij mogen ons zelf helpen verder. Volgens de receptioniste kunnen we wel eten in Stellenbosch, ‘but it’s a long drive then’.
Ook met internet gaat het hier niet soepel. We kunnen internettoegang kopen. Er is ook wel wifi, maar alleen de eigenaar weet het wachtwoord. We vragen de receptioniste om de eigenaar te bellen en het wachtwoord te vragen, maar als we er even later naar vragen blijkt dit toch niet gelukt te zijn. ‘Someone knows the password, but no one knows who that someone is’. Vaag verhaal. We mogen op de computer van de receptie vanavond, om ons blog bij te kunnen werken. Helaas blijkt ’s avonds dat ook op de computer daar een password vereist is. Wat een gedoe elke keer weer, dan maar kopen.

We gaan naar de wijnproeverij van Knorhoek (vijf generaties Nederlanders boeren hier al) en kiezen vijf rode wijnen uit die we willen proberen. Van de spuugbeker maken we geen gebruik, doodzonde van die lekkere wijn. We zijn de enige proevers, het is duidelijk laagseizoen hier. De kaasplank die we bij de wijn willen bestellen kan niet meer geleverd worden, omdat het restaurant al dicht gaat (4 uur!!).
Hierna gaan we naar Stellenbosch, ook al is het dan a long drive. Onzin, het is maar 10 km en Stellenbosch blijkt een prachtig stadje. De binnenstad staat vol met witgekalkte Kaaps-Hollandse huisjes, maar ook grote versierde Victoriaanse huizen. Ondanks dat het zondag is, is er nog een en ander open aan winkeltjes. We lopen door de binnenstad met de Hollandse straatnamen en eten in een restaurantje in de Dorpsstraat. Daarna terug naar Knorhoek, waar we met een flesje wijn heerlijk op onze kamer gaan zitten. De allerlaatste avond in Zuid-Afrika, en nog twee dagen te verslaan…. Hard werken, zo’n vakantie!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen